Newsletter

Firm/organisation


Name


E-mail address


Interests






medium_slideshow_pict1medium_slideshow_pict2medium_slideshow_pict3medium_slideshow_pict4medium_slideshow_pict5medium_slideshow_pict6
 

CAPITAL MARKETS

ASSET MANAGEMENT

FINANCIAL SERVICES Securities Laws

PENSION FUNDS DNB/AFM

INVESTMENT MANAGEMENT AGREEMENTS

FUND STRUCTURING

AIFMD

 

 

Pension Sector News

Wetsvoorstel pensioencommunicatie (07-01-2014)

Eind november heeft het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW) het wetsvoorstel  Pensioencommunicatie ter consultatie gepubliceerd. Partijen hebben tot 17 januari 2014 de tijd om te reageren op dit wetsvoorstel. 

                                                                                                                                                                 

Een van de doelen van dit wetsvoorstel is het vergroten van het pensioenbewustzijn van Nederlanders. De wettelijke verplichte informatie over het pensioen is namelijk voor veel mensen nog steeds ingewikkeld, moeilijk te begrijpen en te omvangrijk. Bovendien geeft het niet altijd een realistisch beeld over de hoogte van het pensioen, omdat het geen inzicht geeft in de risico’s. Hierdoor kunnen mensen op het verkeerde been worden gezet.


De Pensioensector heeft daarnaast te maken met een gedaald vertrouwen onder deelnemers. In het wetsvoorstel staat daarom dat er ruimte zal zijn voor maatwerk door pensioenuitvoerders, gelaagdheid in informatie, meer mogelijkheden tot digitale informatieverstrekking en uniforme communicatie over koopkracht en risico’s.


Het wetsvoorstel en de memorie van toelichting zijn te raadplegen via deze link.


http://www.internetconsultatie.nl/pensioencommunicatie


 

Brief DNB: resultaten themaonderzoek beheersing renterisico pensioenfondsen (03-09-2013)

De DNB heeft bij een groot aantal pensioenfondsen een themaonderzoek gedaan naar de beheersing van het renterisico. Het onderzoek concentreerde zich voornamelijk op de invulling van de risicobeheersing door de pensioenfondsen en niet op de renteafdekking, omdat dit laatste ter beoordeling van de fondsen zelf is. Met het publiceren van de uitkomsten van het onderzoek wil DNB een ‘guidance’ aan de pensioensector geven. Op deze manier wordt de totstandkoming van verbeteringen inzake het beleggingsbeleid en de beheersing van het renterisico bevorderd.

                                                                                                                                                                          

Uit het themaonderzoek blijkt dat de pensioensector de nodige stappen heeft gezet om het beleggingsbeleid en de risicobeheersing te verbeteren, toch is de DNB van mening dat het beleid en de beheersing van het renterisico nog verdere verbetering nodig heeft. Renterisico is immers één van de belangrijkste risico’s voor pensioenfondsen. Renterisico ontstaat doordat de rentegevoeligheid van de verplichtingen voor de pensioenfondsen groter is dan de rentegevoeligheid van de beleggingen. Vaak wordt het renterisico afgedekt door bijvoorbeeld te investeren in langlopende obligaties of in rentederivaten.

Hierbij moeten pensioenfondsen belangrijke beslissingen nemen, bijvoorbeeld in welke mate ze het renterisico willen afdekken en welke beleggingsinstrumenten ze daarvoor willen gebruiken.

 

Het themaonderzoek heeft tot de volgende uitkomsten (in hoofdlijnen) geleid:

 

Bij een substantieel aantal pensioenfondsen ontbreekt een voldoende uitgewerkte vastlegging van het renteafdekkingsbeleid. In het bijzonder ontbreekt in veel gevallen een concrete beschrijving van de strategische normering (afdekkingspercentage), de gehanteerde bandbreedtes rondom deze normering, de rentetermijnstructuur of benchmark waartegen wordt afgedekt en de instrumenten of mandaten die ter afdekking worden gebruikt. Hierdoor kan de daadwerkelijke renteafdekking substantieel afwijken van de door het bestuur gewenste mate van bescherming. Een concreet vastgelegd beleid is belangrijk omdat dit in staat stelt om grip te houden op het renterisico van het pensioenfonds en tijdig bij te sturen indien nodig.

 

Veel pensioenfondsen houden onvoldoende rekening met de looptijdverdeling van het renterisico. Dit maakt fondsen kwetsbaar voor niet-parallelle verschuivingen in de rentetermijnstructuur (curverisico). Dergelijke verschuivingen kenmerken zich in veel gevallen door een verkromming of vervlakking van de rentecurve. Het curverisico kan beheerst worden door in het beleid van het pensioenfonds en bij de monitoring van het renterisico specifiek rekening te houden met de verdeling van het renterisico over verschillende looptijden.

 

De rapportages die pensioenfondsen ontvangen ten aanzien van het renteafdekkingsbeleid geven vaak onvoldoende inzicht in de performance ontwikkeling en blootstelling aan risicofactoren. Ook is het van belang dat (ex-ante) risicorapportages in veel gevallen beter aansluiten bij de manier waarop het renterisico is afgedekt. Dit maakt het voor de pensioenfondsen mogelijk om de ontwikkeling van de dekkingsgraad als gevolg van rentemutaties te verklaren (attributie) en te beheersen. Het belang van adequate rapportages is groot.

 

Ze stellen immers in staat om grip te houden op het risicoprofiel van fondsen door te monitoren hoeveel risico wordt gelopen en in hoeverre het gerealiseerde resultaat overeenkomt met wat op voorhand verwacht werd op basis van het renteafdekkingsbeleid en de marktontwikkelingen.

 

In aanvulling op het bovenstaande benadrukt DNB in haar brief tevens het belang van een goede governance inzake het beleggingsbeleid. Zo is voor een goede governance een heldere organisatiestructuur van het pensioenfonds van groot belang.

 

Brief_Resultaten_DNB_themaonderzoek_beheersing_renterisico_tcm50-228677.pdf

 

Meting voortgang voorbereiding op het nieuwe pensioencontract  (04-06-2013)      

DNB en de AFM vinden dat pensioenfondsen zich nu al moeten voorbereiden op de nieuwe pensioencontracten die op 1 januari 2015 ingaan. Begin juli zullen DNB en de AFM een meting houden over de voorbereiding van middelgrote en kleine pensioenfondsen, behalve fondsen die volledig zijn verzekerd en fondsen in liquidatie. Deze meting is het vervolg op een meting die DNB en de AFM eind vorig jaar hebben gehouden bij zestig pensioenfondsen.

                                                                                                                                                                         

Uit de meting van eind vorig jaar bleek dat een groot deel van de fondsen zich weliswaar voorbereidt, maar dat die voorbereiding vaak niet verder ging dan oriëntatie op de nieuwe contracten. In de meting van juli willen DNB en de AFM bekijken of er voortgang is geboekt. Om beheerst over te gaan op het nieuwe contract is een tijdige transitie immers van groot belang. De resultaten van de meting zullen tijdens het DNB-Pensioenseminar, op 11 september, bekend gemaakt worden.

Brief aan middelgrote en kleine pensioenfondsen
DNB heeft alle middelgrote en kleine pensioenfondsen onlangs een brief gestuurd om hen te wijzen op het belang van een tijdige voorbereiding. De brief is hieronder te vinden.

Pensioenuitvoeringsorganisaties
Enige tijd geleden hebben DNB en de AFM gesproken met een aantal pensioenuitvoeringsorganisaties over de transitie naar het nieuwe pensioencontract. De deelnemers gaven te kennen te verwachten dat de invoering van het nieuwe contract technisch goed mogelijk is, als er maar genoeg tijd is. Zij verwachtten zes tot twaalf maanden nodig te hebben voor verwerking in de administratie, afhankelijk van de complexiteit van de nieuwe regeling.

 

Brief_voorbereiding_transitie_pensioencontract_middelgrote_en_kleine_pensioenfondsen_tcm46-292026.pdf

 

Bron:

http://www.dnb.nl/publicatie/publicaties-dnb/nieuwsbrief-pensioenen/nieuwsbrief-pensioenen-juni-2013/dnb291896.jsp

 

AFM is tevreden met verdere optimalisatie van pensioencommnunicatie (31-05-2013)

Staatssecretaris Klijnsma van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW) heeft de Tweede Kamer op 29 mei geïnformeerd over de werkzaamheden ter verbetering van de pensioencommunicatie. De Autoriteit Financiële Markten (AFM) vindt verdere optimalisatie van pensioencommunicatie een goede zaak.

                                                                                                                                                               

In de kamerbrief werkt SZW haar aanbevelingen over pensioencommunicatie van 26 juni 2012 verder uit. In de aanbevelingen staan het belang en de behoeften van de pensioendeelnemer centraal. De AFM geeft aan volledig met deze uitspraak van de Staatssecretaris eens te zijn: “Het is belangrijk dat pensioendeelnemers inzicht krijgen in de hoogte en toereikendheid van het eigen pensioen, zodat zij weten of het nodig is om eventueel aanvullende maatregelen te nemen.”

Als toezichthouder op pensioencommunicatie hecht de AFM grote waarde aan effectieve en efficiënte communicatie van pensioenuitvoerders aan (ex-)deelnemers en gepensioneerden. Ook omdat dit mensen beter in staat stelt een financiële planning voor de oude dag te maken. SZW gaat de aanbevelingen verder uitwerken langs de lijnen van onderzoek, advies, en indien noodzakelijk, wetgeving. De AFM gaat hierbij als een klankbord fungeren voor het ministerie van SZW, bijvoorbeeld door actief te participeren in verschillende werkgroepen, waaronder de werkgroep pensioencommunicatie.

 

kamerbrief-over-stand-van-zaken-pensioencommunicatie.pdf

 

Bron:

http://www.afm.nl/nl/professionals/afm-actueel/nieuws/2013/mei/tevreden-werkzaamheden-pensioencommunicatie.aspx

 

DNB: gedrag en cultuur in bestuur (05-05-2013)

DNB heeft een rapport gepubliceerd over een onderzoek naar gedrag en cultuur in de bestuurskamers van financiële instellingen, waaronder pensioenfondsen. Gedrag en cultuur hebben invloed op de financiële prestaties, integriteit en reputatie van instellingen. Een van de belangrijkste conclusies van het rapport is dat instellingen laten zien belang te hechten aan eigen gedrag en cultuur. DNB verwacht wel dat financiële instellingen extra aandacht besteden aan de volgende vier kerngebieden.

                                                                               

 Commentaar:

 

1. Stimulatie gedrag en groepsdynamiek: bestuurders (en commissarissen) moeten zich volgens DNB bewust zijn van het eigen gedrag en de impact die dat heeft op (het functioneren van) anderen. DNB vindt dat zelfreflectie en elkaar aanspreken cruciaal zijn voor het succes van een organisatie. De toezichthouder vraagt bestuurders om te kijken naar het eigen handelen en hiervan te willen leren. Bestuurders moeten voldoende tijd nemen om stil te staan bij het eigen gedrag of bij de dynamiek in de groep. Bij een aanzienlijk aantal van de onderzochte organisaties wordt hier nog nauwelijks op gestuurd. Daar ziet DNB dat bestuurders of commissarissen elkaar nauwelijks aanspreken op onwenselijk of niet-effectief gedrag. Een meerderheid van de onderzochte organisaties erkent volgens DNB evenwel het belang van gedrag en cultuur en dat bewustzijn van eigen of groepsgedrag van belang is voor het succes van de organisatie. Veel van hen weten volgens de toezichthouder alleen nog niet goed hoe de aandacht voor gedrag en groepsdynamiek concreet kan worden georganiseerd.

 

2. Zorgvuldige besluitvorming: DNB verwacht van bestuursleden (en –organen) een zorgvuldige besluitvorming (“sound judgment”). Dat betekent dat bestuursleden elkaar actief vragen stellen, constructief discussiëren en elkaar challengen. Deze houding kan volgens DNB voorkomen dat besluiten worden genomen op basis van onvoldoende of verkeerde veronderstellingen, dat risico’s over het hoofd worden gezien en dat onvoldoende rekening wordt gehouden met de belangen van alle stakeholders. Zorgvuldige besluitvorming is volgens DNB van belang, omdat in een aantal gevallen naar voren is gekomen dat onvoldoende werd stil gestaan bij de risico’s van een besluit. Dit heeft in een aantal gevallen ook tot concrete financiële verliezen geleid.

 

3. Organisatie tegenspraak: DNB vindt het opvallend dat slechts enkele organisaties maatregelen hebben genomen om tegenspraak in de top structureel te organiseren. Dat wil volgens DNB niet zeggen dat er binnen de onderzochte organisaties geen kritisch vermogen bestaat. Dit kritisch vermogen is volgens de toezichthouder echter vaak nog het toevallige resultaat van een goede samenstelling en persoonlijke inbreng van de leden van bijvoorbeeld het intern toezichthoudende orgaan. DNB vindt het belangrijk dat organisaties meer concrete maatregelen nemen om tegenspraak te bevorderen. Hiermee wordt een goede bespreking van de relevante risico’s bevorderd en wordt voorkomen dat de besluitvorming teveel afhankelijk is van de dynamiek tussen mensen.

 

4. Flexibele leiderschapsstijl: DNB vindt dat bestuurders meerdere leiderschapsstijlen flexibel moeten kunnen toepassen. Zo zou een dominante bestuurder ook een meer faciliterende rol moeten kunnen vervullen. Faciliterend leiderschap houdt volgens DNB in dat de bestuurder waarborgt dat alle betrokkenen deelnemen in de oordeelsvorming. Het betekent ook dat de bestuurder peilt hoe alle groepsleden aan tafel zitten en hen ondersteunt in het voeren van een kwalitatief goed gesprek. Uit het onderzoek van DNB blijkt dat deze rolinvulling tegenspraak bevordert. Dit laatste leidt volgens de toezichthouder tot een meer afgewogen en betere besluitvorming, omdat meer invalshoeken, feiten en risico’s aan de orde zijn gekomen.

 

Effecten van toezicht op gedrag en cultuur

Een belangrijk effect van het toezicht op gedrag en cultuur door DNB is dat bestuurders zich bewuster zijn geworden van de risico’s van gedrag binnen de organisatie. Het verder versterken van de aandacht voor gedrag en cultuur blijft volgens DNB noodzakelijk. Niet alleen binnen de bestuurskamers, maar ook in de rest van de organisaties. Het gaat immers om het veranderen van een cultuur binnen grote en complexe organisaties en zelfs van een sector. Deze cultuur verandert volgens de toezichthouder alleen als bestuurders en commissarissen zicht consequent en over een langere termijn daarop richten.

 

Conclusie

Een van de belangrijkste conclusies van het DNB-rapport is dat instellingen laten zien belang te hechten aan hun eigen gedrag en cultuur. Financiële instellingen kunnen de vier hierboven genoemde kerngebieden als handvatten gebruiken om het gedrag effectief te organiseren. DNB zal de inrichting van effectief gedrag niet alleen volgen en waar nodig bijsturen, maar ook proactief stimuleren door educatie en opleiding. Ook voert DNB met de AFM in 2013 gezamenlijke onderzoeken uit om te bezien in hoeverre organisaties in staat zijn de noodzakelijke veranderingen door te voeren.

 

Mr. Boudewijn Broers CPL
FMLA Financial Markets Lawyers

 

Sectorbrief DNB over uitbesteding  vermogensbeheer (22-3-2013)

 De Nederlandsche Bank (“DNB”) heeft op 17 januari 2013 alle pensioenfondsen per brief geïnformeerd over een lopend (thema)onderzoek naar uitbesteding van vermogensbeheer. In deze brief worden vier onderwerpen nader belicht die volgens DNB in ieder geval belangrijk zijn bij de uitbesteding van het vermogensbeheer. Hieronder wordt kort ingegaan op deze onderwerpen.

Commentaar:

Verwerking van strategisch beleggingsbeleid in opdracht aan de vermogensbeheerder

Het is volgens DNB van belang dat de opdracht die een pensioenfonds geeft aan de vermogensbeheerder aansluit op het strategische beleggingsbeleid van het pensioenfonds. De bedoeling hiervan is te voorkomen dat de uitvoering die de vermogensbeheerder aan de opdracht geeft, gepaard gaat met additionele risico’s die het pensioenfonds niet heeft beoogd en/of voorzien.

 

Dit vereist volgens DNB in de eerste plaats dat een pensioenfonds zijn eigen beleggingsbeleid voldoende uitwerkt. Op het moment dat het beleggingsbeleid voor het pensioenfonds zelf nog onduidelijkheden bevat, is het bijna onmogelijk om dit beleid in een heldere en eenduidige opdracht aan de vermogensbeheerder vast te leggen. Daarnaast is er volgens de toezichthouder een sluitende set afspraken en richtlijnen nodig tussen pensioenfonds en vermogensbeheerder om de opdracht te begrenzen. Belangrijk bij het opstellen van het beleggingsmandaat zijn bijvoorbeeld de nadere invulling van beleggingscategorieën (zoals een regioverdeling) en de inkadering van het beleggingsuniversum (anders gezegd: op welke manier mag er exposure worden ingenomen?).

 

Effectieve begrenzingen aan de opdracht aan de vermogensbeheerder

De bedoeling van het pensioenfonds over de begrenzingen op de verschillende risico’s en de vastlegging daarvan in het beleggingsmandaat moeten volgens DNB met elkaar in overeenstemming zijn.

 

Dit betekent volgens DNB dat in het beleggingsmandaat effectieve begrenzingen worden geformuleerd op alle relevante risico’s of dat het pensioenfonds er bewust voor kiest om een risico niet te begrenzen. Zo wordt bepaald welke vrijheidsgraden de vermogensbeheerder op de verschillende risico’s krijgt en hoe groot deze vrijheidsgraden zijn. Dit is volgens de toezichthouder ook van belang voor een passend risicomanagement.

 

Inzicht in de beleggingsportefeuille

Naast het helder vastleggen van de opdracht aan de vermogensbeheerder, is het volgens DNB noodzakelijk dat een pensioenfonds voldoende zicht houdt op de beleggingen om zelf ‘in control’ te zijn.

 

Dit betekent volgens DNB o.a. dat het pensioenfonds zelf op de hoogte is van wat er in de beleggingsportefeuille gebeurt, welke risico’s gelopen worden en wat de totale kosten van het vermogensbeheer zijn. Het vereiste inzicht is volgens de toezichthouder onder meer te realiseren via rapportages en (inzichten in) vergoedingen.

 

Juridisch vormgeving van de vermogensbeheer-overeenkomst

De juridische vormgeving van de overeenkomst tussen een pensioenfonds en de vermogensbeheerder is volgens DNB ook relevant.

 

Een pensioenfonds dient volgens DNB prudent te beleggen en zijn organisatie zodanig in te richten dat een beheerste en integere bedrijfsvoering is gewaarborgd. Dit laatste betekent onder meer waarborging van de soliditeit van een pensioenfonds. Het is volgens DNB in dit kader belangrijk dat een pensioenfonds procedures heeft voor bijvoorbeeld de beheersing van financiële risico’s en andere risico’s die de soliditeit van een pensioenfonds kunnen aantasten. Onder risico’s wordt tevens verstaan juridische risico’s en operationele risico’s. Daarnaast gelden op grond van de Pensioenwet (danwel de Wet verplichte beroepspensioenregeling) en lagere regelgeving specifieke regels over overeenkomsten tot uitbesteding die een pensioenfonds aangaat.

 

Conclusie

Een selectie van pensioenfondsen dient in 2013 rekening te houden met het themaonderzoek “Uitbesteding Vermogensbeheer”. Het doel van de sectorbrief van DNB is om ook pensioenfondsen die niet direct betrokken zijn bij het onderzoek “guidance” te geven. De vier aandachtspunten zoals genoemd in de brief van DNB kunnen door pensioenfondsen gebruikt worden als handvatten om zelf de vermogensbeheerovereenkomst te analyseren, beoordelen en waar nodig gerichte actie te ondernemen.

Mr. Boudewijn Broers CPL
FMLA Financial Markets Lawyers

 

 

AFM: korten pensioenen raakt deelnemers en gepensioneerden (13-2-2013)

Op 22 januari 2013 jl. meldde de Nederlandsche Bank (DNB) dat ongeveer 70 pensioenfondsen mogelijk gaan korten op de pensioenen per 1 april 2013. De pensioenen van ruim 5 miljoen Nederlanders worden hierdoor geraakt.

N.a.v. het bericht van DNB, heeft de Autoriteit Financiele Markten het volgende nieuwsbericht op haar website gepubliceerd. Pensioenfondsen dienen als "ultimum remedium" over te gaan tot het korten van de pensioenen om de dekkingsgraad weer op peil te krijgen. De dekkingraad bedraagt volgens de (Pensioen)wet minimaal 105%. Dit betekent dat een pensioenfonds voor elke 100 Euro aan (toekomstige) pensioenuitkeringen minstens 105 Euro aan beleggingen moet hebben. Een pensioenfonds kan zijn dekkingsgraad verhogen door bijvoorbeeld de pensioenpremie te verhogen die deelnemers en werkgevers betalen, of doordat de werkgever een bedrag ineens in de pensioenpot stort. Korten van pensioenenaanspraken van werkenden en pensioenuitkeringen van gepensioneerden is vaak een uiterste maatregel. Als pensioenfondsen daadwerkelijk overgaan tot korten, zullen gepensioneerden minder pensioen ontvangen per 1 april 2013. Gepensioneerden kunnen met de Nibud Pensioenkortingsberekenaar zien hoeveel lager hun pensioen gaat worden. Behalve de gepensioneerden, zullen ook de (werkende) deelnemers door de kortingen worden getroffen. Zij krijgen het vooruitzicht van een lager pensioen dan zij nu nog zien op (de website) www.mijnpensioenoverzicht.nl. De AFM benadrukt dat de pensioenen van ruim 5 miljoen Nederlanders door de aanstaande kortingen zullen worden geraakt. Uit onderzoek van de AFM blijkt in dit kader dat slechts een op de vijf consumenten weet dat zowel actieve deelnemers, slapers en gepensioneerden zullen worden geraakt door een korting. Op 19 februari 2013 publiceert de Pensioenfederatie, als vertegenwoordiger van de pensioenfondsen, de namen en de maatregelen van alle fondsen die de pensioenen gaan verlagen, zowel in 2013 als eventueel daarna. De 2 miljoen actieve deelnemers van deze fondsen krijgen voor 1 maart 2013 bericht over de korting op hun pensioen per 1 april 2013. Volgens de Pensioenwet, waar de AFM toezicht op houdt, moet een pensioenfonds uiterlijk één maand voor de daadwerkelijke korting de deelnemers informeren. De AFM houdt toezicht op de communicatie van een pensioenfonds met zijn deelnemers.

 

Bron: http://www.afm.nl/consumenten/actueel/nieuws/2013/jan/korten-pensioen.aspx

 

Evaluatie herstelplannen 2012 (16-1-2013)

Pensioenfondsen met een herstelplan in 2012 moeten voor 8 februari 2013 een evaluatie van de voortgang van het herstelplan ter beoordeling aan de Nederlandsche Bank (“DNB”) voorleggen.

DNB heeft ter voorbereiding van de evaluatie op 6 december 2012 een instructiebrief aan de pensioenfondsen gestuurd. De instructiebrief bevat een aantal spelregels over het aanleveren van informatie, zodat DNB een oordeel kan geven over de uitvoering van het herstelplan en over de rechtmatigheid van een mogelijke kortingsmaatregel. DNB zal na ontvangst van de gegevens zo snel mogelijk de evaluatie 2012 beoordelen. DNB streeft ernaar de pensioenfondsen die een korting moeten doorvoeren voor 1 maart 2013 te informeren, maar zal die fondsen in ieder geval uiterlijk voor 1 april 2013 geïnformeerd hebben. De overige pensioenfondsen worden in het voorjaar van 2013 geïnformeerd. Peildatum bij de evaluatie van de herstelplannen is de financiële situatie van het fonds per 31 december 2012. Korten van pensioenen kan een uiterste maatregel zijn die een pensioenfonds in dit kader kan treffen. DNB benadrukt dat korten alleen mag als de inzet van sturingsmogelijkheden, zoals aanpassing van de premie, het beleggingsbeleid en de indexatie niet mogelijk is zonder de belangen van de (verschillende groepen) belanghebbenden onevenredig te schaden. DNB vraagt van fondsbestuurders die moeten besluiten tot een korting in het bijzonder aandacht voor kwaliteit van de aangeleverde informatie. De betrokken pensioenfondsen moeten in dit kader een speciaal vragenformulier naar DNB sturen dat door twee bestuurders van het fonds wordt ondertekend. Pensioenfondsen moeten onvoorwaardelijk vastgestelde kortingen na besluitvorming verwerken in de eerstvolgende financiële rapportage. Dit geldt zowel voor kortingen waartoe definitief besloten is in de loop van het herstelplan, als voor een eventuele eindkorting na afloop van het herstelplan. De dekkingsgraad eind 2012 is dus exclusief een eventuele korting per 1 april 2013. Hierdoor is de dekkingsgraad per 31 december 2012 een eenduidige basis voor de evaluatie 2012. Indien een fonds op grond van de evaluatie 2012 een korting per 1 april 2013 geheel of gedeeltelijk door moet voeren, wordt deze volgens DNB verwerkt in de maandrapportage per eind februari en in de eerstekwartaalrapportage. Bij een definitief vastgestelde korting zal DNB niet alleen beoordelen of de voorgenomen korting voldoende bijdraagt aan herstel, maar ook of de korting op een rechtmatige wijze wordt doorgevoerd. Daarbij gaat het vooral om de vraag of er sprake is van een evenwichtige belangenafweging bij het bestuursbesluit (artikel 105 Pensioenwet). Het pensioenfondsbestuur is zelf verantwoordelijk voor de (voor-)genomen besluiten omtrent korten en voor het informeren van de deelnemer. Evenals vorig jaar hoeven pensioenfondsen volgens de toezichthouder niet te wachten op het oordeel over de evaluatie. DNB gaat er daarbij vanuit dat pensioenfondsen in hun communicatie aangeven dat er nog een oordeel door DNB over de evaluatie van het fonds plaatsvindt. Tegelijkertijd hebben pensioenfondsen van de AFM bericht ontvangen over wat van pensioenfondsbesturen wordt verwacht op het gebied van communicatie naar (gewezen) deelnemers en gepensioneerden.

 

Bron: http://www.dnb.nl/publicatie/publicaties-dnb/nieuwsbrief-pensioenen/nieuwsbrief-pensioenen-december-2012/index.jsp

 

Kamerbrief over stijging bestuurskosten (14-12-2012)

Staatssecretaris Klijnsma (SZW) heeft een reactie naar de Tweede Kamer gestuurd op een bericht in het Financieele Dagblad (FD) over de gestegen bestuurskosten bij pensioenfondsen. De staatssecretaris zegt in de brief o.a. het volgende.

Voor het opstellen van de brief heeft de staatssecretaris informatie bij de Pensioenfederatie ingewonnen. De Pensioenfederatie heeft bevestigd dat de bestuurskosten zijn gestegen. Dat heeft volgens de federatie meerdere oorzaken. Als gevolg van de verslechterende financiële situatie van een aantal pensioenfondsen is de vergaderdruk toegenomen. Besluiten rond premie, indexatie of eventueel korten vergden de afgelopen jaren een gedegen voorbereiding. Daarnaast richt de toezichthouder zich vaker rechtstreeks tot het bestuur, waardoor het bestuur meer dan vroeger geacht wordt zich direct bezig te houden met uitvoeringstechnische zaken van een fonds. Tenslotte zijn de eisen inzake deskundigheidsontwikkeling aangescherpt, hetgeen extra tijdsinvesteringen vergt. Enkele van deze oorzaken blijken ook uit het artikel uit het FD. De stijging van de bestuurskosten is volgens dat artikel met name zichtbaar bij die fondsen die bestuursleden een vacatievergoeding geven. Een hoger aantal vergaderingen leidt bij vacatievergoeding per vergadering automatisch tot hogere kosten. Bij de grootste ondernemingspensioenfondsen, waar bestuursleden in de regel niet per vergadering worden betaald, is er sprake van geen of een zeer beperkte stijging van de bestuurskosten over de afgelopen jaren. Bestuurders van pensioenfondsen doen hun werk volgens de staatssecretaris over het algemeen binnen hun reguliere werkzaamheden. Deze bestuurders ontvangen naast het reguliere salaris voor hun baan binnen de onderneming doorgaans géén extra vergoeding voor hun bestuurstaken. De vergoedingen voor bestuurders van bedrijfstakpensioenfondsen worden afgedragen aan de werkgevers- of werknemersorganisatie waarbij zij in dienst zijn. Pensioenfondsen zijn verantwoordelijk voor de invulling van het beheerste beloningsbeleid in de praktijk. De staatssecretaris verwijst in dit kader onder meer naar de “Aanbevelingen competent pensioenfondsbestuur” van de Pensioenfederatie, waarin ook wordt ingegaan op beloningen. Zij constateert dat in de regel goed wordt gelet op een verantwoord beloningsbeleid. Om dit zo te houden verscherpt het kabinet het in- en extern toezicht. Volgens de staatssecretaris is het ook de taak van de overheid te borgen dat wordt gehandeld in het belang van de deelnemer.

 

Bron: http://www.rijksoverheid.nl/ministeries/szw/documenten-en-publicaties/kamerstukken/2012/12/13/stijging-bestuurskosten-pensioenfondsen.html

 

DNB: premiepensioeninstellingen vallen voortaan onder het pensioentoezicht  (7-12-2012)

Het toezicht op premiepensioeninstellingen wordt met ingang van 2013 overgeheveld van het toezicht op verzekeraars naar het toezicht op pensioenfondsen en beleggingsinstellingen.

De Nederlandsche Bank (DNB) heeft de wijziging in het toezicht op premiepensioeninstellingen (PPI’s) op 7 december 2012 bekend gemaakt. De reden voor de wijziging is volgens DNB gelegen in het volgende.

 

Een PPI is een instelling die individuele beschikbare premieregelingen (zogenaamde “defined contribution” regelingen) kan uitvoeren. Bij deze PPI’s, die sinds begin 2011 kunnen worden opgericht, mogen werkgevers een beschikbare premieregeling onderbrengen. De PPI belegt het geld van de individuele werknemers in de opbouwfase. De beleggingsrisico’s liggen bij de deelnemers. Met het belegde bedrag moet de deelnemer bij pensionering een pensioen aankopen bij een verzekeraar. Het is PPI’s daarbij overigens toegestaan om grensoverschrijdend te werken.

 

PPI’s vallen zowel onder de Wet op het financieel toezicht (Wft) als onder de Pensioenwet (Pw). Volgens DNB was de verwachting dat met name grotere verzekeraars een PPI zouden oprichten. Dit blijkt inderdaad het geval, maar ook banken, vermogensbeheerders en pensioenuitvoerders hebben PPI’s in het leven geroepen. In totaal zijn nu een achttal PPI’s opgericht. Bij de introductie van de PPI in januari 2011 had DNB al besloten na twee jaar de keuze voor het verzekeraarstoezicht te evalueren.

 

Één van de constateringen volgens DNB is dat PPI’s meer raakvlakken hebben met de ontwikkelingen in de pensioensector dan met de gebeurtenissen in de verzekeringsbranche. Een voorbeeld volgens de toezichthouder in dit kader is dat het prudent person-principe bij beleggingen al centraal staat in het toezicht op pensioenfondsen. Ook lijkt een PPI volgens DNB in haar aard meer op een beleggingsinstelling dan op een verzekeraar.

 

Verzekeraars die een PPI hebben opgericht, krijgen een ander aanspreekpunt, maar zullen volgens DNB verder niets merken van de verhuizing van het toezicht naar de divisie pensioenen. De toezichthouder merkt volledigheidshalve op dat , daar waar een PPI is opgericht door een verzekeraar, nauw met het toezicht op verzekeraars zal worden samengewerkt.

 

Bron: www.dnb.nl

 

Invoering nieuw financieel toetsingskader pensioenen één jaar uitgesteld (25-11-2012)

Staatssecretaris Klijnsma heeft de Tweede Kamer per brief van 21 november 2012 geïnformeerd dat de invoering van een nieuw financieel toetsingskader pensioenen (FTK) met één jaar wordt uitgesteld.

Staatssecretaris Klijnsma heeft de Tweede Kamer per brief van 21 november 2012 geïnformeerd dat de invoering van een nieuw financieel toetsingskader pensioenen (FTK) met één jaar wordt uitgesteld. De reden is de complexiteit van de uitwerking van de nieuwe wetgeving en dan met name op het punt van het invaren van oude pensioenaanspraken en pensioenrechten in het nieuwe FTK. Daarom gaat de staatssecretaris nu uit van een nieuw FTK per 1 januari 2015 (i.p.v. per 1 januari 2014). Het streven is om de nieuwe wetgeving voor het kerstreces van 2013 aan de Tweede Kamer aan te bieden. De eveneens dit jaar aangekondigde fiscale wijzigingen (de aanpassingen van het Witteveenkader) gaan wel gewoon door per 1 januari 2014, net als de aanpassingen in de AOW. Daarnaast zal per 1 januari 2013 het “Septempakket Pensioenen” in werking treden. Dit pakket aan maatregelen loopt vooruit op het nieuwe FTK en is afgestemd met de Nederlandsche Bank (DNB). Het pakket omvat de volgende maatregelen. 1. Aanpassing rekenrente voor pensioenfondsen In overleg met DNB is besloten om de rentecurve voor zeer lang lopende verplichtingen (over 20 tot 60 jaar) aan te passen en in overeenstemming te brengen met de methode die vanaf 30 juni 2012 al voor verzekeraars geldt. Deze aangepaste methode (waarin een “ultimate forward rate” is verwerkt) maakt de rente minder gevoelig voor schommelingen op de financiële markten. 2. Adempauze voor eis dat premie moet bijdragen aan herstel Pensioenfondsen met een dekkingstekort krijgen in 2013 de mogelijkheid om éénmalig af te wijken van de wettelijke eis dat de pensioenpremie moet bijdragen aan herstel. 3. Voorwaardelijke mogelijkheid om verlaging pensioenen te spreiden Pensioenfondsen krijgen de mogelijkheid om verlagingen van pensioenen over meerdere jaren te spreiden en te beperken tot maximaal 7% per jaar. 4. Aanpassen pensioenregelingen per 1 januari 2013 Aan de (onder 3 genoemde) mogelijkheid om de verlaging van de pensioenen te spreiden, wordt wel de voorwaarde verbonden dat pensioenfondsen de pensioenregelingen per 1 januari 2013 zullen aanpassen. Doel van deze aanpassing is om de pensioenregelingen alvast toekomstbestendiger te maken. Volgens het kabinet gaat het om de volgende aanpassingen. a. De in de pensioenregeling opgenomen pensioenrichtleeftijd (die in 2014 van 65 naar 67 jaar zou worden verhoogd), wordt in 2013 al verhoogd naar 67 jaar; b. Verdere stijging van de levensverwachting wordt ten laste gebracht van de pensioenen en de opgebouwde aanspraken; c. Bij het indexatiebeleid wordt vooruitgelopen op het nieuwe FTK. Dat betekent dat pensioenfondsen de pensioenen pas mogen verhogen als de dekkingsgraad boven de 110% komt (i.p.v. de huidige 105%).

 

Bron: http://www.rijksoverheid.nl/documenten-en-publicaties/kamerstukken/2012/11/21/kamerbrief-uitstel-nieuw-financieel-toetsingskader-pensioenen.html?ns_campaign=documenten-en-publicaties-over-het-onderwerp-pensioen&ns_channel=att

 

Invoering nieuwe FTK één jaar uitgesteld (21-11-2012)

Staatssecretaris Klijnsma heeft de Tweede Kamer per brief van 21 november 2012 geïnformeerd dat de invoering van een nieuw financieel toetsingskader pensioenen (FTK) met één jaar wordt uitgesteld.

De reden is de complexiteit van de uitwerking van de nieuwe wetgeving en dan met name op het punt van het invaren van oude pensioenaanspraken en pensioenrechten in het nieuwe FTK. Daarom gaat de staatssecretaris nu uit van een nieuw FTK per 1 januari 2015 (i.p.v. per 1 januari 2014). Het streven is om de nieuwe wetgeving voor het kerstreces van 2013 aan de Tweede Kamer aan te bieden. De eveneens dit jaar aangekondigde fiscale wijzigingen (de aanpassingen van het Witteveenkader) gaan wel gewoon door per 1 januari 2014, net als de aanpassingen in de AOW. Daarnaast zal per 1 januari 2013 het “Septempakket Pensioenen” in werking treden. Dit pakket aan maatregelen loopt vooruit op het nieuwe FTK en is afgestemd met de Nederlandsche Bank (DNB). Het pakket omvat de volgende maatregelen.

 

1.           Aanpassing rekenrente voor pensioenfondsen

 

In overleg met DNB is besloten om de rentecurve voor zeer lang lopende verplichtingen (over 20 tot 60 jaar) aan te passen en in overeenstemming te brengen met de methode die vanaf 30 juni 2012 al voor verzekeraars geldt. Deze aangepaste methode (waarin een “ultimate forward rate” is verwerkt) maakt de rente minder gevoelig voor schommelingen op de financiële markten.

 

2.            Adempauze voor eis dat premie moet bijdragen aan herstel

 

Pensioenfondsen met een dekkingstekort krijgen in 2013 de mogelijkheid om éénmalig af te wijken van de wettelijke eis dat de pensioenpremie moet bijdragen aan herstel.

 

3.            Voorwaardelijke mogelijkheid om verlaging pensioenen te spreiden

 

Pensioenfondsen krijgen de mogelijkheid om verlagingen van pensioenen over meerdere jaren te spreiden en te beperken tot maximaal 7% per jaar.

 

4.            Aanpassen pensioenregelingen per 1 januari 2013

 

Aan de (onder 3 genoemde)  mogelijkheid om de verlaging van de pensioenen te spreiden, wordt wel de voorwaarde verbonden dat pensioenfondsen de pensioenregelingen per 1 januari 2013 zullen aanpassen. Doel van deze aanpassing is om de pensioenregelingen alvast toekomstbestendiger te maken. Volgens het kabinet gaat het om de volgende aanpassingen.

 

a. De in de pensioenregeling opgenomen pensioenrichtleeftijd (die in 2014 van 65 naar 67 jaar zou worden verhoogd), wordt in 2013 al verhoogd naar 67 jaar;

 

b. Verdere stijging van de levensverwachting wordt ten laste gebracht van de pensioenen en de opgebouwde aanspraken;

 

c. Bij het indexatiebeleid wordt vooruitgelopen op het nieuwe FTK. Dat betekent dat pensioenfondsen de pensioenen pas mogen verhogen als de dekkingsgraad boven de 110% komt (i.p.v. de huidige 105%).

 

Bijlage: Kamerbrief nieuwe FTK

 

AFM: pensioenfondsen en informatie over kortingen 2013 (12-11-2012)

De Autoriteit Financiële Markten (AFM) heeft op 12 november jl. aan pensioenfondsen die op 1 april 2013 een korting doorvoeren een brief gestuurd. Hierin wijst de AFM op het informeren van alle belanghebbenden en de wijze waarop dat moet gebeuren. De AFM zegt o.a. het volgende.

Wanneer een pensioenfonds op basis van het herstelplan 2011 en de dekkingsgraad op 31 december 2012 een korting per 1 april 2013 moet doorvoeren, is het volgens de AFM de bedoeling dat alle belanghebbenden uiterlijk op 1 maart 2013 schriftelijk hierover worden geïnformeerd. De (gewezen) deelnemers, pensioengerechtigden en werkgever(s) zijn volgens de Pensioenwet te zien als belanghebbenden. Ex-partners van (gewezen) deelnemers kunnen ook belanghebbenden zijn.

 

Pensioenfondsen moeten volgens de AFM een duidelijke uitleg geven over de samenhang van de maatregelen en de gevolgen voor de verschillende groepen deelnemers. Pensioenfondsen dienen, voor zover mogelijk, in een kortingsbrief te vermelden of de korting naar verwachting voldoende is om de dekkingsgraad op het gewenste niveau te krijgen. Deelnemers krijgen volgens de AFM hierdoor meer inzicht in de kans dat de korting gevolgd wordt door een evt. nieuwe korting. 

 

De AFM acht het verder van belang dat deelnemers over de onherroepelijkheid van de korting worden geïnformeerd. Pensioenfondsen dienen daarbij aan te geven dat ze op dit moment geen uitspraak kunnen doen over het in de toekomst (gedeeltelijk) ongedaan maken van de korting. Hierdoor worden volgens de AFM eventuele onterechte verwachtingen bij deelnemers weggenomen.

 

Volgens de AFM zijn belanghebbenden er verder bij gebaat om duidelijk te worden geïnformeerd. De AFM raadt fondsen in dit kader aan om alle informatie over de hoogte van de korting, de belangenafweging, de kans op een nieuwe korting en de onherroepelijkheid van de korting op één moment te verstrekken, in de vorm van een kortingsbrief.

 

De AFM vindt het ook belangrijk dat deelnemers inzicht krijgen in de effecten van de toegepaste korting. De AFM verzoekt pensioenfondsen om deelnemers te helpen door hen inzicht te geven in de pensioenaanspraken vóór en na toepassing van de korting. Door beide bedragen naast elkaar te plaatsen zijn deelnemers beter in staat het effect van de korting te begrijpen.

 

Pensioenfondsen die de korting op een andere datum toepassen, hebben een afwijkende brief van de AFM ontvangen. Tot slot bevat de nieuwsbrief informatie over het UPO 2013 en hoe hierin om te gaan met eventuele kortingsmaatregelen. Dit met als doel dat de financiële gevolgen van de korting ook al zichtbaar worden op het UPO 2013, i.p.v. het UPO 2014.

 

Bijlage: Brief kortingsinformatie

 

Dutch legislative proposal AIFM Directive adopted by Dutch Lower House (02-10-2012)

On 2 October 2012 the Dutch Lower House adopted the Dutch legislative proposal implementing the Alternative Investment Fund Managers Directive (AIFMD) in Dutch law. As a result of that proposal, a very large number of currently exempted fund managers will become subject to supervision.

The bill (the “Bill”) implementing the Alternative Investment Fund Managers Directive in the Netherlands was put before the Dutch Parliament on 19 April 2012. The Bill introduces a licensing requirement for Netherlands-based managers of one or more “alternative investment funds” (“AIFs”), being any collective investment scheme that is not subject to authorisation under the European Directive regulating Undertakings for Collective Investment in Transferable Securities (“UCITS”).

 

As a result of the Bill, nearly all existing Dutch exemptions (€100,000 exemption, “qualified investors only” exemption, less than 150 offerees exemption) will be repealed. AIF managers (or self-managed AIFs) currently relying on these exemptions will require a license. In addition, currently licensed AIF managers and self-managed AIFs will need to obtain a new license from the Dutch Authority for the Financial Markets (“AFM”). The Bill also introduces a large number of amendments to the current Dutch framework for (managers of) non-UCITS these licensed collective investment schemes, including:

 

(i) new rules on “depositaries”;

(ii) changes in outsourcing rules;

(iii) new (ongoing and incidental) reporting requirements;

(iv) new investor disclosure requirements;

(v) new governance and organisational requirements (risk management, liquidity, valuation, etc.); and (vi) new remuneration rules.

 

Amendment of MP Huizing 

 

The Lower House further adopted an amendment which was submitted by the Member of Parliament Huizing. Pursuant to this amendment, managers of AIFS in which only pension funds invest do not fall within the scope of the Bill. Prior to the vote on the amendment, Minister of Finance De Jager sent a letter to the Lower House, in which he explicitly advised against adoption of the amendment. In that letter, the minister also quoted the position of the AFM and the Dutch Central Bank who both wish to supervise managers of pension assets. The Lower House, however, ignored the advice of the minister and adopted the amendment. 

 

Next steps

 

After the adoption of the  Bill by the Lower House, the Proposal will be sent to the Upper House. The AIFMD must be implemented in Dutch law by 22 July 2013.

 

Newly registered managers will need to obtain a license by that date. Currently licensed managers will need to comply with the new Bill by the same date and to obtain a new license from the AFM.

 

Source: https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-33235

 

Kabinet stuurt septemberpakket pensioenen naar Tweede Kamer (1-10-2012)

Het kabinet heeft op 24 september 2012 het septemberpakket pensioenen naar de Tweede Kamer gestuurd. Door dit pakket aan maatregelen kunnen pensioenfondsen hun financiële positie versneld in orde brengen.

Het septemberpakket richt zich primair op 2013, op weg naar een nieuwe Pensioenwet en een nieuw financieel toetsingskader (“FTK”), die in 2014 in werking treden. Het pakket leidt ertoe dat de pensioenpremies volgend jaar niet hoeven te stijgen en dat pensioenfondsen onder strikte voorwaarden verlagingen van pensioenen over meerdere jaren kunnen spreiden en beperken tot maximaal 7% per jaar. Het septemberpakket is afgestemd met de Nederlandsche Bank (“DNB”) en bestaat uit de volgende vier maatregelen. 1. Aanpassing rekenrente voor pensioenfondsen In overleg met DNB is besloten om de rentecurve voor zeer lang lopende verplichtingen (over 20 tot 60 jaar) aan te passen en in overeenstemming te brengen met de methode die vanaf 30 juni 2012 al voor verzekeraars geldt. Deze aangepaste methode (waarin een “ultimate forward rate” is verwerkt) maakt de rente minder gevoelig voor schommelingen op de financiële markten. 2. Adempauze voor eis dat premie moet bijdragen aan herstel Pensioenfondsen met een dekkingstekort krijgen in 2013 de mogelijkheid om éénmalig af te wijken van de wettelijke eis dat de pensioenpremie moet bijdragen aan herstel. Pensioenfondsen die niet voldoen aan de voorwaarden voor deze adempauze, kunnen DNB om maatwerk verzoeken. 3. Voorwaardelijke mogelijkheid om verlaging pensioenen te spreiden Pensioenfondsen krijgen de mogelijkheid om verlagingen van pensioenen over meerdere jaren te spreiden en te beperken tot maximaal 7% per jaar. De kortingen kunnen hierdoor beperkt blijven tot de kortingen die de fondsen in april 2013 al hebben aangekondigd. 4. Aanpassen pensioenregelingen per 1 januari 2013 Aan de (onder 3 genoemde) mogelijkheid om de verlaging van de pensioenen te spreiden wordt wel de voorwaarde verbonden dat pensioenfondsen de pensioenregelingen per 1 januari 2013 zullen aanpassen. Doel van deze aanpassing is om de pensioenregelingen alvast toekomstbestendiger te maken. Volgens het kabinet gaat het om de volgende aanpassingen. a. De in de pensioenregeling opgenomen pensioenrichtleeftijd (die in 2014 van 65 naar 67 jaar zou worden verhoogd), wordt in 2013 al verhoogd naar 67 jaar. b. Verdere stijging van de levensverwachting wordt ten laste gebracht van de pensioenen en de opgebouwde aanspraken. c. Bij het indexatiebeleid wordt vooruitgelopen op het nieuwe FTK. Dat betekent dat pensioenfondsen de pensioenen pas mogen verhogen als de dekkingsgraad boven de 110% komt (i.p.v. de huidige 105%).

 

Bron: http://www.rijksoverheid.nl/documenten-en-publicaties/kamerstukken/2012/09/24/brief-aan-de-tweede-kamer-over-het-septemberpakket-pensioenen.html

 

Eerste Kamer akkoord met verhoging AOW- en pensioenrichtleeftijd  (update 18-07-2012)

De Eerste Kamer is op 10 juli 2012 akkoord gegaan met het wetsvoorstel Wet verhoging AOW- en pensioenrichtleeftijd van minister Kamp. De wet is op 18 juli 2012 gepubliceerd.   

 

Met de parlementaire goedkeuring van dit wetsvoorstel (Kamerstukken 33.290) wordt de AOW-leeftijd vanaf 1 januari 2013 stapsgewijs verhoogd, totdat die in 2019 66 jaar is en vervolgens in 2023 67 jaar. De AOW-leeftijd gaat in de loop van de jaren telkens op 1 januari omhoog, met steeds grotere stappen. Vanaf 2024 wordt de AOW-leeftijd gekoppeld aan de levensverwachting. De fiscale regels voor het aanvullend pensioen worden als gevolg van de verhoging van de AOW-leeftijd ook gewijzigd. Opgebouwde pensioenrechten blijven intact. Vanaf 2014 gaat het nieuwe regime in waarbij de pensioenrichtleeftijd wordt verhoogd. Deze pensioenrichtleeftijd staat nu op 65 jaar en wordt in 2014 verhoogd naar 67 jaar. Vervolgens wordt deze pensioenrichtleeftijd gekoppeld aan de ontwikkeling van de levensverwachting. Ook worden de maximum opbouwpercentages voor middelloon-en eindloonregelingen aangepast. Vanaf 2014 worden de maximale opbouwpercentages voor ouderdomspensioen verlaagd van 2% naar 1,9% voor eindloonregelingen en van 2,25% naar 2,15% voor middelloonregelingen. Ook de beschikbare premiestaffels zullen worden aangepast.

De snellere verhoging van de AOW-leeftijd is het gevolg van afspraken die het kabinet met de Tweede Kamerfracties van VVD, CDA, D66, GroenLinks en ChristenUnie heeft gemaakt in het Begrotingsakkoord 2013 . De verhoging van de AOW-leeftijd wordt geleidelijk ingevoerd om mensen die dicht tegen hun pensioen aan zitten tegemoet te komen. Daarnaast komen er overgangsmaatregelen voor mensen die weinig mogelijkheden hebben om het verlies aan inkomen te compenseren. Het voorliggende wetsvoorstel maakt het wetsvoorstel Wet verhoging pensioenleeftijd, extra verhoging AOW en flexibilisering ingangsdatum AOW (33.046) overbodig. De regering heeft dat voorstel op 11 juli 2012 ingetrokken.

De voorliggende wet is op 18 juli 2012 gepubliceerd. Een aantal artikelen treedt in werking met ingang van 1 januari 2013 en 2014. Hierop volgend zullen jaarlijks (tot en met 2024) enkele bepalingen in werking treden.

 

Bron: Publicatie Wet verhoging AOW- en pensioenrichtleeftijd 
 

 

Kamerbrief inzake Witboek Pensioenen  (09-07-2012)

Minister Kamp heeft vanwege een eerdere technische briefing over het Europese Witboek Pensioenen een cijfermatige onderbouwing  naar  de Eerste Kamer gezonden. 

 

Tijdens deze technische briefing is onder andere gesproken over de herziening van de Europese Pensioenfondsenrichtlijn (IORP-Richtlijn). In overeenstemming met de Kabinetsreactie op het Groenboek Pensioenen, is volgens de minister het volgende aangegeven.

Wanneer elementen uit de Europese Solvency II Richtlijn voor verzekeraars, zoals de zekerheidseis van 99,5%, worden overgenomen voor pensioenfondsen, kan dit leiden tot een toename in de buffervereisten (het vereist eigen vermogen) voor Nederlandse pensioenfondsen met circa 11% van de verplichtingen. Bij deze berekening is alleen uitgegaan van de toename van de zekerheidseis van de huidige Nederlandse 97,5% naar 99,5%. Andere elementen uit de Solvency II Richtlijn zijn niet meegenomen. Deze zullen ook van invloed zijn op de door pensioenfondsen aan te houden buffers. Zo is de toename van de buffervereisten met circa 11% van de verplichtingen berekend op basis van de nominale verplichtingen van Nederlandse pensioenfondsen. Als over de voorwaardelijke indexatie ook een buffer moet worden aangehouden, zal de toename nog hoger uitvallen.

Wanneer de buffers van Nederlandse pensioenfondsen vanwege EU-regelgeving moeten toenemen met  circa 11% van hun verplichtingen, dan zijn er twee manieren waarop deze toename kan worden betaald.

  • De buffers moeten op het vereiste hogere niveau worden gebracht. Daarnaast zal de kostendekkende premie voor de nieuw op te bouwen rechten circa 11% hoger moeten worden.
  • De indexatie dient zo lang mogelijk te worden uitgesteld totdat aan de nieuwe buffervereisten is voldaan. Gelet op de bedragen waarbij het hierom gaat, zal de indexatie vele jaren moeten worden gepasseerd.

De Europese toezichthouder op het terrein van verzekeringen en pensioenen (EIOPA) is momenteel bezig met het opzetten van een Quantitative Impact Study (QIS). De uitkomsten van deze QIS zullen volgens de minister een beter inzicht geven in de kwantitatieve effecten die een herziening van de IORP-Richtlijn voor Nederlandse pensioenfondsen kan hebben.

 

Bron: Kamerbrief inzake Witboek Pensioenen

 

 

Kamerbrief indexatiemogelijkheden in het reële pensioencontract  (09-07-2012)

Minister Kamp heeft gereageerd op een Kamervraag of in het reële pensioencontract indexatie op basis van 2/3e loonstijging is toegestaan. De reactie van de minister luidt als volgt.

 

Uitgangspunt voor het reële pensioencontract is dat ten minste indexatie op basis van volledige prijsinflatie moeten worden toegezegd, omdat deelnemers in het reële  contract zullen verwachten dat hun pensioenfonds in ieder geval naar koopkrachtbehoud streeft. Het staat niet vast dat een indexatietoezegging op basis van 2/3e loonstijging structureel aan dat criterium voldoet, omdat het verschil tussen de ontwikkeling van lonen en prijzen niet constant in de tijd is. Een indexatietoezegging op basis van 2/3e loonstijging kan dus lager zijn dan een indexatietoezegging op basis van volledige prijsinflatie.

Een belangrijk onderdeel van het nieuwe wettelijke kader is verder dat de communicatie moet worden verhelderd. Om die reden ligt het voor de hand dat een indexatietoezegging wordt gekoppeld aan een eenduidige en volledige maatstaf, zodat deelnemers weten waar zij aan toe zijn. Voor het reële contract betekent dit dat een indexatietoezegging op basis van ten minste volledige prijsinflatie, met als alternatief indexatie op basis van een volledige loonstijging, moet worden toegezegd. Dit laat onverlet dat de indexatie die feitelijk wordt toegekend af zal kunnen wijken van de indexatietoezegging. De feitelijke indexatie wordt in het reële contract bepaald door de uitkomsten van de toepassing van de het aanpassingsmechanisme voor financiële schokken en het levensverwachtingsaanpassingsmechanisme.

De indexatietoezegging vertaalt zich in het reële pensioencontract als een afslag op de discontovoet. Volgens de minister zal deze afslag in de reële discontovoet ten minste gebaseerd moeten worden op de verwachte prijsinflatie. Deze vaste afslagen zullen periodiek worden vastgesteld als onderdeel van de procedure ter vaststelling van de parameters financieel toetsingskader ("FTK"), waarbij zoveel mogelijk van data uit de markt gebruik zal worden gemaakt.

 

Bron: Kamerbrief inzake indexatiemogelijkheden reële pensioencontract  

 

 

Kamerbrief - antwoord op Kamervragen over toezicht op pensioenen (05-07-2012)

Minister Kamp heeft geantwoord op Kamervragen van het lid Omzigt over "het toezicht op pensioenen". De reactie van de minister luidt als volgt.

 

De minister antwoordt dat een werknemer recht heeft op een pensioenuitkering van de pensioenuitvoerder, ook al heeft de werkgever verzuimd om de werknemer aan te melden bij de pensioenuitvoerder. De pensioenuitvoerder kan de werkgever aansprakelijk stellen voor de geleden schade. Een uitzondering hierop is de situatie dat de werknemer toerekenbaar heeft bijgedragen aan het feit dat de pensioenuitvoerder niet geïnformeerd is (bijvoorbeeld fraude, misleiding).

Ter bescherming van de niet aangemelde pensioenaanspraakgerechtigde stelt artikel 5 Pensioenwet ("PW") een aantal bepalingen van titel 17 van Boek 7 Burgerlijk Wetboek (Verzekering) buiten toepassing. Het gaat dan met name om bepalingen die de pensioenuitvoerder zouden beschermen indien die bepalingen niet buiten toepassing zouden zijn verklaard. Artikel 5 PW beoogt te voorkomen dat een pensioenuitvoerder zich tegen een claim van een werknemer verweert (of kan verweren) met de stelling dat de werkgever (verzekeringnemer) zijn mededelingsplicht niet heeft nagekomen. In overeenstemming met hetgeen de Nederlandsche Bank ("DNB") hierover heeft gezegd, zullen pensioenuitvoerders volgens de minister zelf moeten onderzoeken of een werknemer is aangemeld en hoe groot het prudentiële risico is dat met artikel 5 PW samenhangt en welke beheersmaatregelen daarvoor getroffen moeten worden, zoals het eisen van een accountantscontrole of het aanleggen van een buffer.

 

Bron: Kamerbrief – antwoord op Kamervragen over toezicht op pensioenen

 

 

Uitkomsten themaonderzoek innovatieve beleggingen (04-07-2012)

De Nederlandsche Bank heeft onderzoek gedaan naar innovatieve beleggingen in de portefeuilles van een aantal pensioenfondsen. De uitkomsten van dit onderzoek zijn als volgt.

 

Het onderzoek van De Nederlandsche Bank (“DNB”) geeft aan dat de pensioensector de afgelopen jaren verbeteringen heeft doorgevoerd rondom het beleggingsbeleid. Tegelijkertijd constateert DNB dat het niveau van de beheersomgeving bij pensioenfondsen nog niet altijd aansluit bij de complexiteit van de beleggingen. DNB heeft alle pensioenfondsen op 22 juni jl. een brief gestuurd met de generieke uitkomsten van het onderzoek en een aantal aandachtspunten.

  • Bij veel pensioenfondsen ontbreekt een voldoende uitgewerkte strategie met bijbehorende richtlijnen ten aanzien van innovatieve beleggingen. De toegevoegde waarde van innovatieve beleggingen wordt bovendien niet altijd voldoende onderbouwd en gemotiveerd.
  • Daarnaast ontbreekt bij sommige pensioenfondsen nog een adequate en vooraf vastgelegde selectieprocedure met betrekking tot innovatieve beleggingen en externe uitvoerders. Ook wordt het functioneren van betrokken partijen niet altijd periodiek geëvalueerd.
  • De rapportages die pensioenfondsen ontvangen van externe uitvoerders geven vaak onvoldoende inzicht in de performance ontwikkeling en de blootstelling aan risicofactoren.
  • Bij een substantieel aantal pensioenfondsen ontbreekt een heldere rolverdeling en vastlegging van taken en verantwoordelijkheden voor de verschillende gremia in het beleggingsproces, zoals het bestuur, de beleggingsadviescommissie en de externe adviseurs en uitvoerders. Ook is het risicobeheer niet altijd onafhankelijk en adequaat vorm gegeven.

DNB hecht er waarde aan dat pensioenfondsen actie ondernemen op deze aandachtspunten. DNB wil hiermee bereiken dat het beleid en de beheersomgeving van innovatieve beleggingen in de pensioensector verbetert. Bron: 20120704 DNB nieuwsbericht Kamerbrief over benchmarks van pensioenfondsen (03-07-2012)

 

Bron: 20120704 DNB nieuwsbericht

 

  

Kamerbrief over benchmarks van pensioenfondsen (03-07-2012)

Minister Kamp heeft de Tweede Kamer geïnformeerd over het inzicht van DNB in benchmarks van pensioenfondsen. Dit n.a.v. vragen van de vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid.

 

Minister Kamp heeft de Tweede Kamer laten weten dat de Nederlandsche Bank (“DNB”) naar eigen zeggen voldoende inzicht heeft in de benchmarks van pensioenfondsen. De vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid had hierover kanttekeningen geplaatst naar aanleiding van een DNB-rapport.

 

Met ingang van 2012 zijn de rapportages over beleggingsrendementen aangepast. De pensioenfondsen rapporteren vanaf dit jaar aan DNB per kwartaal het totaal rendement van het fonds, de rendementen van zeven verschillende beleggingscategorieën en het benchmarkrendement per categorie. De rendementen van de pensioenfondsen zijn hierdoor beter te vergelijken, zowel onderling als ten opzichte van hun benchmark. Mocht er nu of in de toekomst behoefte zijn aan aanvullende informatie over de benchmarkrendementen, dan ziet DNB binnen de huidige wetgeving voldoende ruimte deze informatie bij de pensioenfondsen op te vragen.

 

De benchmarkrendementen zijn volgens de minister overigens slechts een onderdeel van het reguliere toezicht op het beleggingsbeleid. DNB kan aanvullende informatie ontlenen aan de actuariële en bedrijfstechnische nota’s, waarin de pensioenfondsen hun beleggingsbeginselen hebben vastgesteld. Als het feitelijke rendement vaker dan incidenteel afwijkt ten opzichte van andere fondsen, dan wel ten opzichte van de zelf gekozen benchmark, dan vraagt DNB het fonds om een toelichting, zo nodig ook over de gehanteerde benchmarks. De toelichting kan aanleiding zijn voor een diepgravend beleggingsonderzoek bij het fonds.

 

Bron: 20120703 Kamerbrief over benchmarks pensioenfondsen

 

 

 

Beantwoording Kamervragen over toepassing gunstiger rekenrente door pensioenfondsen (23-04-2012)

Minister Kamp heeft Kamervragen beantwoord over het handhaven door de Nederlansche Bank van een gunstiger rekenrente voor pensioenfondsen. 

 

De minister benadrukt dat de Nederlandsche Bank (‘DNB’) op basis van artikel 126  Pensioenwet en artikel 2 Besluit financieel toetsingskader pensioenfondsen (‘FTK’), de bevoegdheid heeft om in bijzondere economische omstandigheden in te grijpen in de bepaling van de methode voor de berekening van de technische voorzieningen. De huidige marktomstandigheden zijn volgens de minister uitzonderlijk. Om die reden heeft DNB, in overleg met het Ministerie SZW, besloten tot een rentemiddeling over een periode van drie maanden bij de bepaling van de rentetermijnstructuur (‘RTS’) van december 2011 tot en met maart 2012. Vanuit zowel de pensioen- als de verzekeringssector is aan DNB gevraagd om meer duidelijkheid te verschaffen rondom de maandelijkse beoordeling van de RTS. Door de intentie uit te spreken om rentemiddeling te continueren, totdat duidelijk is wat de gevolgen zijn van de hoofdlijnen van het nieuwe financiële toetsingskader voor pensioenfondsen, beoogt DNB bij te dragen aan rust en duidelijkheid voor de sector. Na publicatie van het nieuwe FTK zal het kabinet, mede in overleg met DNB, de Stichting van de Arbeid en de Pensioenfederatie, bezien in hoeverre het nieuwe FTK kan worden betrokken bij de vaststelling van de premiestelling voor 2013 en de eventueel in dat jaar door te voeren kortingen.

 

Bron: Beantwoording kamervragen over rekenrente pensioenen.

 

 

Besluit tot beperking bijbetalingslasten voor werkgevers bij waardeoverdracht pensioen ((16-04-2012)

Minister Kamp heeft een besluit tot beperking van bijbetalingslasten voor werkgevers bij waardeoverdracht van pensioen naar de Tweede Kamer gestuurd.

 

Werkgevers met een rechtstreeks verzekerde regeling kunnen bij waardeoverdracht van pensioenen worden geconfronteerd met forse bijbetalingslasten. Naar aanleiding van Kamervragen hierover, is ter beperking van deze lasten in de Pensioenwet en in de Wet verplichte beroepspensioenregeling de mogelijkheid gecreëerd om regels te stellen over de tijdelijke inperking van de plicht tot waardeoverdracht in verband met aanvullende bijdragen van de werkgever. Het onderhavige ontwerpbesluit voorziet in deze regels.

Pensioenuitvoerders zijn op grond van dit ontwerpbesluit niet verplicht mee te werken aan een individuele waardeoverdracht als dit leidt tot bijbetalingslasten van meer dan EUR 15.000 en meer dan 10% van de overdrachtswaarde bij een kleine werkgever. Dit ontwerpbesluit is een tijdelijke maatregel, in afwachting van een meer fundamentele discussie over waardeoverdracht. De minister heeft de Stichting van de Arbeid in februari 2012 om advies gevraagd over deze fundamentele discussie. De wijzigingen die met dit ontwerpbesluit worden aangebracht, vervallen per de datum dat het toekomstige stelsel van waardeoverdracht ingaat. Volgens verwachting is dat per 1 januari 2014. De inwerkingtreding van het ontwerpbesluit zelf is naar verwachting 1 juli 2012.

 

Bron: Aanbiedingsbrief - Besluit beperking bijbetalingslasten werkgevers bij waardeoverdracht.

         Ontwerpbesluit wijziging Besluit PW en WvB.

 

 

Brief minister Kamp over wetsvoorstel tot wijziging Wet BPF 2000 en WvB (05-04-2012)

Minister Kamp heeft bezwaren geuit tegen het amendement-Omtzigt, behorende bij het wetsvoorstel tot wijziging van de Wet Bpf 2000 en de Wvb.

Tegen een aantal onderdelen van het amendement heeft de minister fundamentele bezwaren (de punten 1 tot en met 4 van de brief). Deels omdat deze haaks staan op het centrale uitgangspunt van het wetsvoorstel en de huidige markt- en overheidbepalingen, het gelijke speelveld; deels omdat zij zich niet verhouden met de bestaande regelgeving. De strijdigheid tussen het amendement en het uitgangspunt van het gelijke speelveld vindt de minister opmerkelijk, omdat in hun inbreng voor het verslag veel fracties dat uitgangspunt hebben onderschreven en hebben laten weten concurrentievoordeel voor aan bedrijfstakpensioenfondsen gelieerde financiële marktpartijen te willen voorkomen. Over de andere onderdelen zou de minister het oordeel aan de Kamer willen laten (punten 5 tot en met 7 van de brief). Sommige hiervan ziet hij als een verbetering van het wetsvoorstel, zoals de verbetering van de communicatie richting de deelnemer en de verlichting van de administratieve lasten voor werkgevers. Omdat sprake is van één integraal amendement en gezien de fundamentele bezwaren op vier onderdelen, ontraadt de minister de Kamer het amendement ten stelligste.

 

Bron: Kamerbrief wetsvoorstel tot wijziging Wet BPF 2000 en WvB

 

Reactie minister Kamp op krantenbericht ‘pensioenfondsbestuurders blunderen met derivaten’ (05-04-2012)

Minister Kamp heeft gereageerd op het FD-krantenbericht “Bestuurders pensioenfondsen blunderen met complexe derivaten”.

Het in het krantenbericht geschetste beeld dat onkunde bij pensioenfondsbestuurders heeft geleid tot een te lage dekkingsgraad, vindt volgens de minister geen steun in de informatie waarover de Nederlandsche Bank (DNB) beschikt. Volgens DNB hadden de renteswaps aan het einde van 2011 een positieve waarde van ruim 44 miljard euro, waarmee het afdekken van het renterisico een positieve bijdrage heeft geleverd aan de ontwikkeling van de dekkingsgraad in 2011. De minister geeft aan dat ook de in het krantenbericht geciteerde partijen met nuancerende opmerkingen afstand hebben genomen van de strekking van het artikel. De minister benadrukt dat DNB sinds de inwerkingtreding van de beleidsregel deskundigheid in 2011 nauwgezet toeziet op de deskundigheid van pensioenfondsbestuurders. Hij verwacht dat het aanhangige wetsvoorstel Wet versterking bestuur pensioenfondsen hieraan verder zal bijdragen.

 

Bron: Kamerbrief Pensioenfondsbestuurders blunderen met complexe derivaten

  

Beantwoording Kamervragen over wijziging AOW-ingangsdatum (03-04-2012)

Minister Kamp heeft Kamervragen beantwoord over de gevolgen van de wijziging van de ingangsdatum AOW naar de dag van de verjaardag.

Voor twee derde deel van de mensen met een lopende VUT- en prepensioenregeling is de wijziging van de ingangsdatum AOW geen probleem. Voor hen loopt het prepensioen door tot het moment waarop de AOW-uitkering begint, ook in de nieuwe situatie. Voor één derde deel van deze groep mensen kan het verschuiven van de ingangsdatum AOW echter wel een probleem zijn. De onderhavige wetswijziging houdt in dat de ingangsdatum AOW wordt verschoven naar (lees: aansluit bij) de (gewijzigde) leeftijd waarop het recht op AOW ontstaat. Door deze wetswijziging wordt vanaf 1 april 2012 het recht op AOW-ouderdomspensioen met gemiddeld een halve maand uitgesteld. Dit betekent dat mensen gemiddeld eenmalig € 415 bruto minder AOW uitgekeerd krijgen. Bij pensioenfondsen met een thans lage dekkingsgraad, is er dan geen buffer die ingezet kan worden om het effect van de verschoven ingangsdatum van de AOW op te vangen. Het feit dat pensioenfondsen nog geen oplossing hebben kunnen vinden voor dit effect, ligt volgens de minister niet aan de korte voorbereidingstijd (van de wetswijziging). De eerste gesprekken met pensioenfondsen dateren van begin 2011. Oorspronkelijk zou het wetsvoorstel op 1 januari 2012 in werking treden. Om zorgvuldigheidsredenen is de inwerkingtreding drie maanden uitgesteld, zodat alle betrokken partijen meer tijd hadden om zich voor te bereiden. Uiteindelijk is het al dan niet aanpassen van vroeg- en prepensioenregelingen een zaak van sociale partners, aldus de minister.

 

Bron: Beantwoording Kamervragen wijziging AOW-ingangsdatum

 

Uitstelbrief minister Kamp over uitwerking Pensioenakkoord (30-03-2012)

Minister Kamp heeft de Tweede Kamer geïnformeerd over de stand van zaken van de uitwerking van het Pensioenakkoord met betrekking tot het tweede pijler pensioen.

De minister heeft eerder laten weten dat hij in april een hoofdlijnennota financieel toetsingskader (FTK) en de resultaten van onderzoeken die ter uitwerking van het Pensioenakkoord zijn opgestart, naar de Kamer zal sturen. De minister heeft echter aangegeven de maand april nodig om tot een afronding te komen van de verschillende trajecten. Dat heeft te maken met afronding van de CPB-berekeningen en de juridische toetsing van het “invaren” van bestaande rechten in het nieuwe pensioencontract. De minister beoogt de hoofdlijnennota FTK en de onderzoeksresultaten in de loop van mei aan de Kamer aan te bieden.

 

Bron: Uitstelbrief uitwerking Pensioenakkoord

  

Kamerbrief over communicatie voorgenomen pensioenkortingen (29-03-2012)

Minister Kamp heeft de Tweede Kamer geïnformeerd over de communicatie door pensioenfondsen en de voorgenomen pensioenkortingen in 2013.

De Nederlandsche Bank (‘DNB’) heeft op 20 februari 2012 bekend gemaakt dat 103 pensioenfondsen rekening houden met een korting van de pensioenaanspraken en -rechten in 2013. De Autoriteit Financiële Markten (‘AFM’) is hierna een onderzoek gestart. Op 26 maart jl. heeft de AFM de minister over de uitkomsten van dit onderzoek geïnformeerd. De indruk van de AFM is dat de pensioensector de communicatie over de pensioenkortingen goed heeft opgepakt. Bij relatief kleine fondsen zonder een eigen website laat de informatie echter nog te wensen over. De AFM vindt het belangrijk dat pensioenfondsen hun deelnemers óók informeren over de mogelijkheid dat hun pensioen wordt gekort, ook als het besluit daartoe nog niet definitief is. De minister onderschrijft de conclusies van de AFM. Pensioenfondsen moeten hun deelnemers tijdig en begrijpelijk informeren over de mogelijkheid dat hun pensioen wordt gekort. De huidige wettelijke informatiebepalingen schieten volgens de minister hiervoor tekort. Wijziging van de informatiebepalingen zal daarom deel uitmaken van het wetsvoorstel tot wijziging van de Pensioenwet in verband met het pensioenakkoord.

 

Bron: Kamerbrief over communicatie voorgenomen pensioenkortingen

 

Beantwoording Kamervragen over bericht ‘Toezicht op pensioenen’ (07-03-2012)

Minister Kamp heeft Kamervragen beantwoord over het onderdeel “Toezicht op pensioen” op de DNB-site.

De minister zegt in de brief o.a. dat hij de visie van DNB onderschrijft en wijst op de verantwoordelijkheid van werkgevers en pensioenuitvoerders om te voorkomen dat er in het gegevensverkeer iets mis gaat. Voorkomen moet worden dat een individuele deelnemer de dupe wordt van een fout in het gegevensverkeer. Volgens de minister kan dit betekenen dat als een deelnemer niet is aangemeld door de werkgever, hij of zij toch een beroep op pensioenrechten en –aanspraken zou kunnen doen. Een deelnemer is via een derdenbeding namelijk partij bij de uitvoeringsovereenkomst en kan daarom nakoming afdwingen door de pensioenuitvoerder. Een uitzondering is de situatie dat de werknemer toerekenbaar heeft bijgedragen aan het feit dat de pensioenuitvoerder niet geïnformeerd is. De minister is niet voornemens om de Pensioenwet op dit punt aan te passen.

 

Bron: Beantwoording Kamervragen over toezicht op pensioenen

 

Kamerbrief prioriteiten arbeidsvoorwaardelijk pensioen (27-02-2012)

De Autoriteit Financiële Markten (‘AFM’) en de Nederlandsche Bank (‘DNB’) hebben de minister gerapporteerd over knelpunten in de pensioenwetgeving.

DNB heeft zorgen over het pensioenakkoord, specifiek over het communiceren van te hoge ambities, de disconteringsvoet, het invaren en de complexiteit van de overgang naar een nieuw systeem. De AFM geeft aan dat het nodig is de deelnemer in staat te stellen tijdig keuzes te maken in verband met zijn pensioen. DNB en AFM stippen naast deze hoofdpunten ook diverse andere knelpunten aan, zoals het financieel crisisplan van fondsen, de governance, het ongedaan maken van kortingen en de premiepensioeninstelling. De signalen van DNB en de AFM sluiten volgens de minister aan op de aanpak om te komen tot een toekomstbestendig pensioenstelsel. Per brief van 27 februari 2012 geeft de minister aan hoe hij hiermee omgaat. De minister geeft bij zijn planning prioriteit aan drie trajecten: (i) de uitwerking van het pensioenakkoord; (ii) versterking van de pension fund governance en; (iii) het zorgen voor goede Europese regelgeving. Naast deze prioritaire trajecten vragen ook andere pensioenonderwerpen de aandacht van de minister. Deze onderwerpen zijn: (i) herziening waardeoverdracht; (ii) onderzoek naar doorsneepremie; (iii) pensioen van zelfstandigen; (iv) algemene pensioeninstelling; (v) uitbesteding en toezicht op pensioenuitvoeringsorganisaties; (vi) nabestaanden- en arbeidsongeschiktheidspensioen.

 

Bron: Kamerbrief prioriteiten arbeidsvoorwaardelijk pensioen

  

Wetsvoorstel ‘Wet versterking bestuur pensioenfondsen’ naar Tweede Kamer (24-02-2012)

Minister Kamp heeft het wetsvoorstel ‘Wet versterking bestuur pensioenfondsen’ naar de Tweede Kamer gestuurd.

Pensioenfondsen kunnen volgens het wetsvoorstel straks kiezen voor een bestuur dat uitsluitend bestaat uit deskundige externe beroepsbestuurders. Voor een aantal belangrijke besluiten heeft dat bestuur dan nog wel de goedkeuring nodig van werkgevers, werknemers en pensioengerechtigden. Pensioenfondsen kunnen daarnaast kiezen voor een bestuursmodel dat uit werkgevers, werknemers en uit pensioengerechtigden bestaat. Kamp regelt hiermee dat pensioengerechtigden steeds recht op een plek in het bestuur hebben (maximaal een kwart van het aantal zetels). De minister gaat hiermee een stap verder dan het initiatiefwetsvoorstel van de Tweede Kamerleden Koşer Kaya en Blok waarin ouderen pas na een raadpleging in het bestuur deel kunnen nemen. Aanvullend is in het wetsvoorstel bepaald dat werkgevers in dit bestuursmodel minder zetels krijgen als de pensioenpremie gemaximeerd is.

 

Bron: Wetsvoorstel Wet versterking bestuur pensioenfondsen naar Tweede Kamer 

  

Kamerbrief over de verwachte concurrentie van premiepensioeninstellingen (16-02-2012)

De minister heeft gereageerd op een bericht in Trouw dat gaat over concurrentie tussen premiepensioeninstellingen en ondernemingspensioenfondsen.

Premiepensioeninstellingen (ppi’s) kunnen net als ondernemingspensioenfondsen (opf’en) en verzekeraars een beschikbare premieregeling aanbieden, die goedkoper is voor de werkgever en waarvan de risico’s bij de werknemer liggen. De zwaarte van het toezicht wordt bepaald door de aard van de regeling. De bepalingen van het financieel toetsingskader zijn verder niet van toepassing op beschikbare premieregelingen. Ook schrijft de minister dat er (bij beschikbare premieregelingen) geen wettelijke bijstortingsverplichting bestaat. De ppi is net als een pensioenfonds en een verzekeraar een pensioenuitvoerder in de zin van de Pensioenwet. Als sociale partners kiezen voor een beschikbare premieregeling, dan is onderbrenging bij een ppi even legitiem als onderbrenging bij een opf of een verzekeraar. 

 

Bron: Kamerbrief over concurrentie tussen PPI's en OPF-en

 

Kamerbrief over procedure en uitwerking Pensioenakkoord (16-02-2012)

Minister Kamp heeft gereageerd op een motie over de uitwerking van het pensioenakkoord, waarin wordt gevraagd hoe hij ervoor zorgt dat het financieel toetsingskader niet versplinterd raakt.

De houdbaarheid van het pensioenstelsel is gebaat bij eenvoud. Het is nadrukkelijk de bedoeling om versplintering van het FTK te voorkomen. De termen FTK 1 en FTK 2 zijn ontstaan om aan te geven dat bij de nieuwe contracten, zoals beoogd door de Stichting van de Arbeid, een ander toezicht (namelijk FTK 2) past dan bij de bestaande uitkeringsovereenkomsten (FTK 1).

 

Het is volgens de minister goed om te benadrukken dat er ook nu een grote diversiteit aan pensioenregelingen bestaat. De bestaande wetgeving onderscheidt drie soorten overeenkomsten: premie-, kapitaal-, en uitkeringsovereenkomsten. Voor alle drie is het financieel toezicht in de Pensioenwet vastgelegd door middel van het FTK. Het nieuwe contract zal door wijziging van de Pensioenwet mogelijk worden gemaakt en het FTK zal zodanig worden ingericht dat ook het financieel toezicht op die contracten is geregeld.

 

Tot slot meldt de minister dat hij in april 2012 een hoofdlijnennotitie over de uitwerking van het pensioenakkoord en het FTK naar de Tweede Kamer zal zenden. Hij beoogt het uiteindelijke wetsvoorstel in de loop van 2013 aan de Tweede Kamer aan te bieden.

 

Bron: Kamerbrief procedure en planning hoofdlijnennotitie ftk

  

Europese Toezichthouder geeft definitief advies over herziening Pensioenrichtlijn (15-02-2012)

De Europese Toezichthouder (‘EIOPA’) heeft haar definitieve advies over de wijziging van de Pensioenrichtlijn aan de Europese Commissie gepubliceerd.   

• EIOPA adviseert de invoering van een ‘holistic balance sheet’ voor de ontwikkeling van een Europees toezichtregime voor pensioeninstellingen (‘IORP’s’);

• EIOPA oppert verbeterde kwalitatieve vereisten voor ‘governance’ en ‘risk-management’ van IORP'S;

   Deze kwalitatieve vereisten zijn gebaseerd op Solvency II met de nodige aanpassingen voor IORP's;

 • EIOPA adviseert strengere en consistente informatievereisten voor beschikbare premieregelingen.

 

Met het ‘holistic balance’ sheet worden IORP’s (waaronder Nederlandse pensioenfondsen) in staat gesteld om rekening te houden met de verschillende binnen de Europese Unie bestaande aanpassingsmechanismen (bijv. voorwaardelijke indexatie, korting van pensioenen) en beveiligingsmechanismen (bijv. hulp van de sponsor). EIOPA benadrukt verder het nut van een kwantitatieve impactstudie (QIS), die van belang is om de gevolgen van de ‘holistic balance sheet’ en de verschillende beleidsopties binnen die benadering, op de financiële eisen voor IORP’s te onderzoeken. EIOPA is voorbereidingen aan het treffen voor een QIS. De resultaten van deze studie worden naar verwachting in de tweede helft van 2012 gepubliceerd. Naast de kwantitatieve vereisten, bevat het advies van EIOPA ook voorstellen voor het versterken van de kwalitatieve eisen, bijvoorbeeld op het gebied van ‘governance’ en ‘risk-management’. Tot slot wordt nader ingegaan op de informatievoorziening en de bescherming van de deelnemers.

 

Bron: Press Release - Final advice EIOPA on IORP Directive

 

Wijziging wetsvoorstel ‘Verhoging pensioenleeftijd, extra verhoging AOW en flexibilisering ingangsdatum’ naar Tweede Kamer (31-01-2012)

Minister Kamp heeft een wijziging van het wetsvoorstel ‘Verhoging pensioenleeftijd’ naar de Tweede Kamer gestuurd. De wijziging beoogt verlichting te geven aan de pensioensector.

 De wijziging houdt in dat de pensioenrichtleeftijd niet in twee stappen van één jaar (2013/2015) wordt verhoogd, maar ineens per 2014 naar 67 jaar Deze wijziging geeft pensioenuitvoerders lucht om de aanpassing van het Witteveenkader op zorgvuldige wijze te verwerken. Hiermee wordt de uitvoerbaarheid zeker gesteld en ontstaat ruimte voor het tijdig informeren van de deelnemers. Daarnaast bevat de nota van wijziging een aanpassing waardoor het eerder opnemen van de flexibele AOW voor bijstandsgerechtigden een vrijwillige keuze wordt. Tenslotte wordt geregeld dat bij een actuarieel neutrale omzetting van bestaande pensioenaanspraken in aanspraken op basis van de nieuwe pensioenrichtleeftijd, overschrijding van de wettelijke maxima voor ouderdomspensioen in zoverre is toegestaan.

 

Bron: NvW Wetsvoorstel verhoging pensioenleeftijd extra verhoging AOW

  

Initiatiefwetsvoorstel 'Samenstelling en medezeggenschap in pensioenfondsbesturen' aangenomen (31-01-2012)

Het initiatiefwetsvoorstel over de samenstelling en medezeggenschap in pensioenfondsbesturen is aangenomen door de Eerste Kamer.

Het initiatiefwetsvoorstel van de Tweede Kamerleden Koşer Kaya en Blok bepaalt dat gepensioneerden recht hebben op een plek in het pensioenfondsbestuur. Tegelijk met het wetsvoorstel is een motie aangenomen die zegt dat naast deelname van pensioengerechtigden in pensioenfondsbesturen, ook een vertegenwoordiging namens de jongeren wenselijk is. 

 

Bron: Stemming EK-Wetsvoorstel Samenstelling en medezeggenschap in PF-besturen 

 

Kamerbrief over rekenrente en pensioenkortingen (25-01-2012)

Minister Kamp heeft de Tweede Kamer geïnformeerd over de maatregelen van DNB met betrekking tot de rekenrente voor pensioenfondsen en de (hoogte van de) pensioenkortingen.

De achtergrond van de maatregelen is volgens de minister als volgt.

 

Maximering pensioenkorting per april 2013

 

De ontwikkeling van de dekkingsgraden in 2011 wees uit dat bij veel pensioenfondsen die (vorig jaar al) een kortetermijnherstelplan hadden ingediend, een aanzienlijke achterstand was opgetreden ten opzichte van het geplande herstel. Deze fondsen moeten hun herstelplan mogelijk aanvullen met aanzienlijke kortingen op de pensioenen en de opgebouwde pensioenaanspraken per april 2013. Vanwege de negatieve macro-economische effecten van al te grote kortingen, heeft DNB besloten de omvang van de mogelijke pensioenkortingen per april 2013 te maximeren op 7%. Zonder deze maximering zouden de kortingen bij veel pensioenfondsen kunnen oplopen tot 15%. Het eventuele restant van de korting moet aan het eind van de hersteltermijn – indien op dat moment nog nodig – worden geëffectueerd. Hierdoor wordt voldaan aan de wettelijke eis dat de dekkingsgraad aan het eind van een herstelperiode ten minste 105% bedraagt.

 

Correctie rentetermijnstructuur ultimo 2011

 

DNB heeft een correctie toegepast op de rentetermijnstructuur (RTS) van ultimo december 2011, door deze te baseren op de gemiddelde RTS over de maanden oktober tot en met december 2011. De middeling van de rente over drie maanden heeft de gevolgen van de dag-tot-dag volatiliteit per eind december aanzienlijk beperkt, met behoud van de actualiteit van de rente. De gemiddelde dekkingsgraad van de pensioenfondsen is door de middeling met enkele procentpunten toegenomen. Hierdoor zijn bij minder pensioenfondsen aanvullende maatregelen nodig en vallen mogelijke pensioenkortingen in 2013 lager uit.

De maatregelen van DNB passen volgens de minister binnen de bestaande regelgeving. Ze dempen de gevolgen van de crisis voor pensioengerechtigden en andere deelnemers, zonder afbreuk te doen aan het beginsel dat de belangen van alle belanghebbenden op evenwichtige wijze worden behartigd.

 

Bron: Kamerbrief over rekenrente en pensioenkortingen

 

 

 

 

 

Practice areas

 

 

 

 

 
en